Een studie traverso
richt zich in eerste instantie op het basisrepertoire uit de 18de eeuw.
Behalve in de kamermuziek wordt ook de rol van de fluitist in oratorium en opera uitgebreid behandeld aan de hand van een ruime keuze aan belangrijke werken op
dit gebied.
Naast de technische
vaardigheden die een basis voor de professionaliteit vormen, zoals goede
ademcontrole, articulatie en frasering is begrip voor diverse stijlen de andere
pijler van het vakmanschap. Deze wordt onderwezen aan de hand van facismiles en
tractaten waarmee gedurende de Bachelor een vertrouwdheid en expertise wordt
opgebouwd met de culturele context van de bestudeerde muziek.
Een belangrijke aanvulling tijdens de Bachelor is de mogelijkheid om
vaardigheid op diverse fluittypes te verwerven. Zo heeft het conservatorium een
consort rensaissance traverso’s te beschikking van de studenten. Ook de
meerkleppen fluit voor het Klassieke en latere repertoire hoort in toenemende
mate tot de standaarduitrusting van een musicus die zich op de historische
fluit heeft toegelegd.
In de Master wordt een dergelijke veelzijdigheid dan ook
als verplichting gezien. Bovendien is hierbij een voortdurend artistiek
onderzoek op verschillende terreinen noodzakelijk.