Onder het hoofdvak violone worden zowel 8’ als 16’ instrumenten verstaan uit de gehele periode van late Renaissance tot en met de 19de eeuw. In principe ligt het accent van de studie primair op het Barokrepertoire en aanleren van technieken die dienen voor de daarbij behorende functie van het instrument. Dit betekent een zeer groot aandeel van de violonestudent in projecten en ensembles waarbij het vak zo veel mogelijk in zijn context wordt geplaatst. Samenspel en vooral een goed begrip van basso continuo is hierin de meest gevraagde competentie.
Uiteindelijk is ook een ruimere studie van het solorepertoire mogelijk en zelfs binnen de Bachelor kan al een zekere specialisatie optreden.

De Masterstudie biedt een uitstekende gelegenheid om gedurende twee jaar intensief en naar eigen voorkeur een aspect van het vak uit te diepen. In de latere beroepspraktijk is er zelden gelegenheid voor intensief onderzoek, ook al houden nog steeds veranderende opvattingen over de aard van de violone de praktijk volop in beweging.

 

Toelatingseisen

Bachelor

Master

Docenten

BASSbook