Erik Viskil volgt Henk Borgdorff op als wetenschappelijk directeur ACPA

De Academy of Creative and Performing Arts (ACPA) heeft sinds kort een nieuwe wetenschappelijk directeur. Erik Viskil neemt het roer over van Henk Borgdorff, die de functie vier jaar bekleedde. Wat is er de afgelopen jaren bereikt? En hoe ziet de toekomst van ACPA eruit? In dit dubbelinterview spreekt de Universiteit Leiden erover met de voormalige en huidige directeur. ACPA is een onderzoeksinstituut van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit Leiden en belichaamt het samenwerkingsverband tussen de Universiteit Leiden en de Hogeschool der Kunsten Den Haag (het Koninklijk Conservatorium en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten). Naast onderzoek in en naar de kunsten biedt ACPA academisch onderwijs voor kunststudenten en kunstonderwijs voor studenten aan de universiteit.

Henk Borgdorff blikt terug op vier jaar als directeur


Hoe kijkt u terug op uw tijd bij ACPA?
Het was een eer en een voorrecht om ACPA de afgelopen tijd als wetenschappelijk directeur te mogen dienen. ACPA biedt een unieke en stimulerende omgeving voor studenten, docenten en promovendi, waarin de kunstpraktijk en het kunstonderzoek met elkaar zijn verweven. Ik ben er trots op dat we vanuit ACPA het maken en beoefenen van kunst de universiteit inbrengen, en dat we tevens het academisch onderwijs en onderzoek in contact brengen met het conservatorium en de kunstacademie in Den Haag.’

Wat is misschien wel het belangrijkste dat u als directeur van ACPA heeft bereikt?
‘Gedurende mijn tijd als WD heeft ACPA zich ontwikkeld tot een weliswaar bescheiden, maar tevens nationaal en internationaal toonaangevend onderzoekinstituut. Ik ben zeer ingenomen met de uitkomst van de onderzoeksevaluatie; het onderzoek bij ACPA is als ’excellent’ beoordeeld. Dat is uiteraard te danken aan de resultaten van het onderzoek van onze stafleden en promovendi. Ik ben er ook trots op dat we verdere stappen hebben kunnen zetten met de integratie van het artistiek onderzoek in wetenschapssysteem van de universiteit. Zo hoorde ik net dat in het nieuwe promotiereglement van de universiteit in het geval van de kunsten nu ook niet-traditionele (’afwijkende’) vormen van proefschrift voorgelegd kunnen worden. Een verworvenheid die ook voor andere domeinen, bijvoorbeeld voor visuele antropologie, van belang is.’

Als u één ACPA-onderzoek zou moeten aanwijzen, wat is dan wellicht het mooiste onderzoek dat er in uw tijd als directeur is uitgevoerd?
‘Ik vind het moeilijk, en voor deze gelegenheid ook niet juist, om één bepaald ACPA-onderzoek hier te noemen. Ik raad iedereen aan om op onze website de pagina’s over onze staf, over onze alumni en over de impact van ons onderzoek te bezoeken. De rijkdom en reikwijdte van het onderzoek spat er van af. De universiteit en de faculteit heeft met ACPA een bijzonder instituut in huis, met onderzoek dat een verschil maakt in de werelden van de kunsten en de wetenschap.’

Blijft u na uw pensionering actief in de kunsten?
‘Ik blijf na mijn pensionering actief op het gebied van het kunstonderzoek, zij het iets meer op afstand, onder andere in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda. Mijn aandacht ging de laatste 15 tot 20 jaar uit naar de theoretische en politieke rationale van onderzoek in de kunsten. Die aandacht zal zich nu verbreden en verbinden met een oudere liefde: mijn belangstelling voor die vormen van weten en begrijpen die zich eveneens aan de rand van academia ophouden, die zich ook onttrekken aan te makkelijke kennistheoretische inkadering, maar die tevens fundamenteel zijn voor hoe wij ons tot de wereld, tot onszelf en tot anderen verhouden: vormen van weten en begrijpen die in de filosofie van de geest en de cognitiewetenschappen bestudeerd worden.’

Erik Viskil kijkt vooruit naar de komende vier jaar


Wat definieert voor u het belang van kunsten in de maatschappij?
Kunst is vele dingen ineen, verscheiden en gelaagd. Kunst biedt ervaringen die ons boven onszelf en het leven van alledag doen uitstijgen. We ontlenen daar genot en troost aan. Op dit moment in de tijd hebben we de kunst tegelijkertijd en meer dan ooit nodig voor iets anders. De maatschappij is in chaos, het aardoppervlak bevindt zich in een ziekelijke staat van crisis. We willen de wereld beter leren begrijpen, we hebben behoefte aan duiding, aan nieuwe perspectieven, we willen alternatieve toekomsten voor ons zien en tot nieuwe visies komen. Het belang van de kunsten zit hem juist in die kracht, die elders in de maatschappij niet zo geconcentreerd aanwezig is: kunst is verbeelding. De kunsten scheppen alternatieve werelden en stellen ons in staat het onbenoemde en onbekende te ervaren.’

Wat maakt ACPA volgens u uniek in Nederland?
‘ACPA is een kunstschool in de universiteit. In het buitenland is dat niets bijzonders, in Nederland was dat wel zo. ACPA was lang de enige plek in ons land waar kunstenaars en ontwerpers op basis van hun artistieke werk aan een wetenschappelijke promotie konden werken. Accreditaties hebben duidelijk gemaakt dat de kwaliteit van het onderzoek bij ACPA hoog is. Het begint nu breder in de maatschappij door te dringen wat er in het onderzoek in de kunst mogelijk is. Ik hoop dat ACPA de komende jaren op andere manieren uniek kan worden: als katalysator voor interdisciplinair onderwijs en intensieve vormen van samenwerking tussen kunstenaars en wetenschappers.’

Wat trok u aan in de functie van wetenschappelijk directeur?
‘In ACPA komen verschillende onderwerpen samen waarmee ik me in mijn werk heb beziggehouden. Ik ben opgeleid als onderzoeker gespecialiseerd in argumentatietheorie. Na mijn promotie heb ik in het wetenschapsbeleid en het kunstbeleid gewerkt, om op een gegeven moment voor de context van de kunst te kiezen. Ik heb allerlei rollen bij kunstacademies vervuld, en ben ook les gaan geven bij PhDArts, één van de twee promotieprogramma’s binnen ACPA. Daar kwamen mijn kennis van argumenteren en van de kunstpraktijk op onvermoede manieren samen. Traditioneel voeren kunstenaars en ontwerpers het discours via hun werk. Het bijzondere van het onderzoek in de kunst zoals dat bij ACPA beoefend wordt is dat het onderzoek wordt uitgelicht, in discursieve vorm expliciet gemaakt, en vervolgens terugvloeit in de praktijk. Het is voor mij inhoudelijk en beleidsmatig interessant én spannend om WD van dit instituut te zijn.’

Wat zou u de komende jaren als directeur willen bereiken met ACPA?
‘Mijn voorgangers hebben ACPA sterk gemaakt. Frans de Ruiter bouwde de academie vanuit het niets op. Er waren geen voorbeelden, maar wel een visionair universiteitsbestuur dat dezelfde dromen koesterde. De afgelopen jaren hebben Henk Borgdorff en medewerkers de internationale positie van het instituut versterkt en de kwaliteit breder in beeld gebracht. Het is logisch dat in de komende jaren de nadruk blijft liggen op verrassend en degelijk promotieonderzoek. Voor mijzelf is samenwerking belangrijk. Met de Hogeschool der Kunsten werken we aan een platform dat al het onderzoek in de kunst in Leiden en Den Haag zichtbaar moet maken. Ik wil graag tijd steken in onderwijs op het raakvlak van kunst, wetenschap en maatschappij, en het ontwikkelen van interdisciplinaire experimenten. Ik hoop dat we met projecten tot ver in de universiteit tot samenwerking kunnen komen.’